Een glasvezelkabel wordt gebruikt voor het snel overbrengen van data, zoals internet.

Een glasvezel kabel is echt van glas. Van helder, hoge kwaliteit glas wordt tijdens het smelten een hele lange dunne sliert getrokken. Zo'n sliert heet een vezel. Zo'n vezel is heel dun, minder dan de helft van een mensenhaar. Omdat het zo dun is verliest het glas zijn stugheid en kan het zelfs in bochten gelegd worden of opgerold worden zonder dat het breekt. Om deze hele dunne zuivere sliert wordt een minder zuivere huls van glas gelegd. Het snijvlak van deze twee glassoorten fungeert als een soort spiegel wat licht weerkaatst. Met een lichtbron, tegenwoordig altijd een laser, wordt in de lengterichting in de vezel geschenen. Door het spiegel-effect kan het licht de vezel niet verlaten en zal het aan de andere kant (dit kan kilometers verder zijn) vrijwel zonder verlies weer zichtbaar zijn. Hier wordt het opgevangen door een sensor. Ditzelfde gebeurt ook de andere kant op. Ter bescherming worden er nog meerdere soorten beschermingslagen om het glas heen gewikkeld wat de uiteindelijke kabel enkele millimeters dik maakt.

De reden dat een laser wordt gebruikt is omdat deze slechts een enkele frequentie heeft, of ander gezegd omdat het een optische omgeving betreft: een enkele kleur. Dit is belangrijk omdat verschillende kleuren/frequenties zich met een verschillende snelheid door de vezel voortplanten. Dit kan al vrij snel er voor zorgen dat er een soort schaduw signaal ontstaat wat de communicatie in de war kan sturen. Een laser met maar exact 1 frequentie voorkomt dit.